dinsdag 29 december 2020

Portugal, oktober en november 2020

 

Helaas zit een reis naar Marokko er dit jaar niet in. Door Covid19 varen er geen boten tussen Spanje en Marokko. Daarom dit keer een wat rustiger en waarschijnlijk minder avontuurlijke reis door Portugal en Spanje.

 

We vertrekken op 29 september. Eerst even langs Twiga Travelcars voor een reparatie en we slapen een nachtje langs de Waal. De 2e dag halen we een parking onder Parijs. Erg weinig campers of caravans gezien onderweg. Mensen zijn toch bang om te reizen in deze Covid19 tijd.

De volgende dag rijden we een paar uren en stoppen een stukje boven Angouleme. De parking wordt druk bezocht door homo’s en ik ga maar een stukje lopen met Tosh om andere mooiere dingen in de natuur te aanschouwen. De volgende dag regent het erg hard en onder Bordeaux spoelt het. Met zoveel water op de weg en met het profiel van onze banden is het beter wat langzamer te gaan rijden. Bij benzinepompen of wegrestaurants zijn mondkapjes helaas verplicht in Frankrijk. We wilden eigenlijk in het bos van Morcenx gaan staan, maar het noodweer zorgt ervoor dat we doorrijden naar Spanje. Als we over de Pyreneen heen zijn, rijden we op een gegeven moment over een besneeuwd (het is begin oktober!) stuk wegdek. We overnachten 2 nachten in de buurt van Burgos bij een dorpje genaamd Monasterio de Rodillo. Een bijzondere plek bij een 7e eeuwse kerk en natuurlijke bron. Het waait erg hard en het is maar 13 graden. Samen met Tosh maken we wat wandelingen in de buurt. Spanjaarden met mandjes in hun hand zoeken champignons in de heuvels.

We rijden door uitgestrekt saai akkerbouwgebied richting Benavente. We overnachten in een onaantrekkelijk armoedig dorp aan de rivier de Esla. De dorpsbewoners dragen bijna allemaal een mondkapje, ook als ze alleen in de auto zitten.

 

Na Benavente wordt de omgeving bosachtig en heuvelig. We staan een aantal nachten bij een praia fluvial in Micereses de Tera. Zeer rustige plek met beekjes waar otters in zwemmen. Prachtig weer met ca. 24 graden.

 

Op 8 oktober rijden we in 1 keer door naar Chaves in Portugal. Onderweg nog in Spanje kopen we een heerlijke pikante chorizo, waar we later spijt van hebben dat we er niet veel meer van hebben gekocht. We zien veel herten onderweg in de bossen.

Een aantal dagen staan we aan de ecoroute aan de rivier de Tamego een paar km. onder Chaves. We maken veel wandelingen langs de kunstmatig gemaakte lagoons. Vanuit de vogelkijkhut waar we naast staan, zien we slechts een zilverreiger en een ijsvogel als zgn. “bijzondere” vogels.

 

De volgende plek is Peso da Regua aan de rivier de Douro. Vanuit deze stad worden de portwijnen uit het Dourogebied via de rivier de Douro naar Porto gebracht. Het is een lawaaierig en onrustig stadje en daarom rijden we de volgende dag door naar Freixo de Numao. De was moet een keer gedaan worden en hier kunnen we voor 5 euro per dag op een camperplaats staan met elektriciteit en water. ’s Middags komt de bakker langs met brood en lekkere koeken. Ik maak wandelingen naar het zeer rustige dorpje waar een museum over archeologie is. Het dorp staat vol oude huisjes en het lijkt wel of er alleen maar oude mensjes wonen.

 

In Foz Coa bezoekt Mike het museum over archeologie en koopt hij een boek over de gravures in de Coa vallei. We staan een aantal dagen op een prachtige plek in de buurt van een verlaten mijn aan de Coa rivier.

 

Op 17 oktober rijden we langs het Serra Estrela gebergte naar Barril de Alva. Er wordt veel regen verwacht en daarom zoeken we een camperplaats. Barril de Alva heeft een leuke camperplek in de natuur met water en stroom (3,50) per dag. In het nabijgelegen restaurant kan je voor 11 euro pp een boerig driegangenmenu  nemen incl. kan wijn en koffie. Op de camperplaats staan 4 Engelse en 1 Franse camperaar. Er valt veel regen en met de dag stijgt het waterpeil in de rivier de Alva. Af en toe als het droog is, maken we wandelingen naar de praia fluvial de Ourtigal. Het dorp Barril de Alva heeft behalve een kroeg en een minimercado niks te bieden.

 

Op 30 oktober rijden we via Arganil naar Folques. In Arganil kunnen we de was doen en drogen bij de Intermarche supermarkt. In Folgues staan we op een grasveld bij een praia fluvial. Mooi weer, 24 graden. De komende 5 dagen is er in Portugal een mini lockdown waarbij de Portugezen binnen hun gemeente moeten blijven. Deze regel geldt gelukkig niet voor toeristen.

 

Er wordt weer regen verwacht en we rijden door naar een gratis camperplaats met elektriciteit en water in Miranda do Corvo. Een dorp aan de rivier de Corvo. Er staat 1 Franse en voor de rest alleen maar Portugese campers. Op de momenten dat het droog is maken we wandelingen met Tosh door een aangelegd bos met een riviertje. Op woensdag is er markt en er worden dan in een overdekte hal eigen verbouwde groentes verkocht en kastanjes en vis, buiten staan kramen met vooral kleding en schoenen. Ik vind de kraam met houten kinderstoeltjes en kleine krukjes voor 6//7 euro het leukste.

 

Met mooier weer op komst rijden we op 9 november naar de kust naar Praia do Osso da Baleia bij het dorp Carrico. Zelden hebben we zo’n breed schoon leeg strand gezien. Met ingang van vandaag is in 121 gemeenten een avondklok ingesteld van 23.00 uur tot 5.00 uur en in de komende 2 weekeinden gaat de avondklok in om 13.00 uur ’s middags. Die nachtklok boeit ons niet want we slapen dan immers en de weekend middagklok, ja dat is iets waar je rekening mee moet houden als je boodschappen gaat doen. We blijven 6 dagen hier staan en maken mooie wandelingen door bos- en duingebied en over het strand.

De volgende plek is achter de duinen bij Praia do Vigao. Het is duidelijk te zien dat er in het verleden een fikse duinbrand is geweest en de meeste pijnbomen staan er doods bij. Er liggen veel stukjes glas van ingeslagen autoruiten en aangezien er verder geen camperaars zijn, vinden we het niet vertrouwd de truck alleen achter te laten en te gaan wandelen. We rijden diezelfde middag nog door naar Praia da Vieira. Vlak voor het dorp zijn plekken om vrij te staan langs de Rio Lis. Deze rivier stroomt hier de zee in en het is spectaculair te zien hoe de zeegolven het land inrollen op het moment dat het vloed wordt. Totdat het die dag erg mistig wordt, staan er veel vissers tegenover ons aan de andere kant van de rivier te vissen.

De badplaats Praia da Vieira is onaantrekkelijk leeg en verlaten zo in de winterperiode. Een enkele Chinese bazaar en restaurantje is geopend.

 

Omdat Mike zich begint te ergeren aan het gestaar van de vissers aan de overkant van de rivier, rijden we door naar praia do Samouco. Opnieuw staan we helemaal alleen in het duin/bosgebied waardoor het weer moeilijk is om de truck onbeheerd achter te laten om een wandeling te maken.

 

Na 2 dagen hier te hebben gestaan, rijden we verder naar praia das Pedras Negras bij Sao Pedro de Moel. Prachtig overnachten met uitzicht op zee. Helaas blijkt het een homo ontmoetingsplek en als we Tosh willen uit laten stuiten we op homo’s die “verdwaald” zijn in de bosjes. Het strand is hier wel prachtig breed en schoon en via houten loopvlonders kan je van de ene strandopgang naar de andere lopen.

 

We verlaten de homo ontmoetingsplaats na 1 dag en rijden naar Praia da Areeira, ca. 3km. boven Nazare. Prachtige plek bij bos, duin en strand. De naaldbomen in het bos/duingebied worden gebruikt voor harswinning. Er zijn kerven in de bast van de naaldbomen gemaakt en de hars loopt in pannetjes die aan de bomen hangen. De hars wordt gebruikt voor terpentijnolie en terpentijnhars (colofonium). Het blijkt opnieuw en homo ontmoetingsplaats te zijn, maar na 1 dag eea te hebben aangezien ontwikkelen wij een tactiek om ze weg te krijgen. Een dag later is blijkbaar al bekend dat ze hier niet meer met elkaar de bosjes in moeten en zijn wij verlost van dit toch wel brutale en vervelende homogedrag.

De plek wordt ook bezocht door vissers en er zijn wat hippies in oude vrachtwagens.

Af en toe rijdt iemand zich vast in het zand en mogen wij onze rijplaten uitlenen. Hun voertuigen uitgraven mogen ze zelf doen, ze zijn immers een stuk jonger dan wij.

 

Omdat er veel regen voorspeld wordt, rijden we na 6 dagen naar een camperplaats met electriciteit en water bij Foz do Arelho. Foz do Arelho is een badplaats aan de baai van Obidos. De baai staat alleen bij vloed in verbinding met de zee en is een leefmilieu voor zeepaardjes en kraamkamer voor vissen. De camperplaaats is vrij vol met voornamelijk Portugezen en met moeite bemachtigen we nog een plekje met stroom. ’s Nachts regent het zo hard dat we de volgende dag met de truck in een soort meertje staan. Mike moet tot zijn enkels door het water waden om de truck naar een droge plek te rijden. De dagen daaropvolgend regent het vaak en is het slechts 14 graden. De momenten dat het even droog is gebruiken we om Tosh uit te laten of om brood in het dorp te kopen.

 

Na 6 dagen camperplaats met vaste Portugese Hymercamperaars die ons als “indringers” zien, rijden we naar Praia do Pico da Mota. Dit is een plek voor surfers omdat hier heel hoge ruige golven zijn. We staan vlak bij de ruige zee, wat voor veel onrust en lawaai zorgt, ook de af en aanrijdende surfers maken het een onrustige plek. Het is mooi zonnig weer.

 

De volgende plek wordt Peniche. We staan met de truck vlakbij het schiereilandje Baleal. Peniche heeft mooie baaien en is zeer geliefd bij surfers vanuit de hele wereld omdat er geweldige surfgolven zijn.

 

Het gaat hard waaien en regenen en de weersvoorspelling voor de komende tijd ziet er ook niet rooskleurig uit. Dit doet ons besluiten langzaamaan richting Spanje te gaan rijden. Op 4 december rijden we naar Coruche aan de Rio Sorraia. Het dorp heeft een praia fluvial (rivierstrand) en er is een gratis camperplaats met stroom en water. Als kers op de appelmoes ligt de camperplaats naast de Lidl. Wat een luxe; dat wordt een paar dagen verse broodjes en lekkere koeken halen. De inwoners van Coruche leven van de kurkproductie en als we hier weer wegrijden zien we veel kurkdrogerijen.

 

Vlakbij de grens met Spanje ligt op een berg het vestingdorp Monsaraz. We rijden langs het dorp naar het stuwmeer Albufeira de Algueva. Onderweg bekijken we het 6 tot 7000 jaar oude megalietencomplex (cromeleque) do Xerez. Achteraf lees ik op internet dat de megalieten niet op de originele plek staan en dat op deze plek veel meer stenen zijn geplaats dan er op de originele plek stonden. Wat een afknapper.

Bij het stuwmeer zijn wij de enige reizigers/toeristen/camperaars.

 

De route door de Extremadura naar Jerez de los Caballeros, voert door steeneiken- en kurkeikengebied en we zien onderweg veel volgevreten zwarte varkens (pata negra) die de gevallen eikeltjes mogen opeten. Ieder varken kan per dag wel 8 tot 10 kg. eikels opeten. Dat worden me toch lekkere hammetjes.

 

 

FOTO’S KOMEN NOG.....................

dinsdag 24 december 2019

Mauritanie, december 2019


Op donderdag 28 november vertrekken we samen met Pier en Jaquelien (met Mercedes), de Oostenrijkers Eveline en Manfred (met MAN) en de Zwitser Martin (met Steyr) naar Mauritanië. Het is vrij druk bij de grens, maar omdat we toeristen zijn, kunnen wij met onze trucks langs de grote rij met beroepsvrachtwagens rijden en hoeven we niet aan te sluiten in de lange rij wachtende voertuigen. Het Marokkaanse douaneterrein is flink gemoderniseerd. Eerst geven we een fiche af en daarna moeten we de paspoorten laten stempelen. Met het kleine witte invoerkaartje, kentekenbewijs en paspoort naar een loketje bij de scan. Daarna witte invoerkaartje afgeven bij scan en de truck gaat door de scan. Na scan de truck op parkeerplaats zetten en douane zet krabbel op witte kaartje. Dan met witte kaartje naar loket lopen om weer een krabbel te krijgen. Daarna met witte kaartje en paspoort naar ander loket. Bij een volgend loket opnieuw de paspoorten laten zien en dan zijn we na 2 uren klaar. Hoezo bureaucratie?? Vanaf de Marokkaanse grens loopt een stuk asfalt richting Mauritanië dat ineens ophoudt en overgaat in een vreselijk rotsig stuk niemandsland.  Als we bij de Mauritaanse grens aankomen is het 1 uur vroeger dan in Marokko en worden we belaagd door “regelmannetjes”. Voor 10 euro per truck/voertuig gaan ze ons helpen bij de grensformaliteiten. Zij regelen voor ons de visa, importpapieren truck en de verzekering van de truck. Ben je niet eerder in Mauritanië geweest dan moeten er vingerafdrukken worden genomen voor het visum. Het visum voor 1 maand single entry kost 55 euro. De verzekering voor de truck voor 1 maand kost 90 euro. De importvergunning voor de truck voor 30 dagen is gratis. We wisselen nog wat euro’s om voor ouguiya (oum) tegen een koers van 40 oum voor 1 euro en kopen voor 3 euro een Mauritaans internetsimkaartje en tegoed. In totaal neemt het Mauritaanse grensgebeuren 2 uur en 3 kwartier in beslag. Als alles geregeld is willen de “regelmannetjes” 20 euro per voertuig hebben in plaats van de afgesproken 10 euro omdat ze zoveel werk aan ons hebben gehad, maar daar trappen we niet in.
Als we richting Boulenouar rijden valt op hoeveel er veranderd is sinds wij hier 5 jaar geleden waren; windmolens, elektriciteitsmasten en een paar moderne gemetselde gebouwen. De eerste dag overnachten we voor Boulenouar bij een grote zandduin. De volgende dag tanken we goed drinkwater bij de watertoren van Boulenouar en nemen een piste die ca. 9 km onder Boulenouar ligt. Deze piste komt uit bij de 360 km lange “spoorlijnpiste” naar Choum. Het zand is al direct erg mul en als sommigen van ons groepje komen vast te zitten, besluiten we de banden van de voertuigen flink af te laten. Wij zetten onze banden op 2,5 bar. De eerste dag langs de spoorlijn is de piste soms wasbord, soms zandige rivierbeddingen en soms gewoon makkelijk te rijden. ’s Avonds overnachten we in de buurt van de spoorlijn en de langste trein ter wereld die hierover heen rijdt is soms erg duidelijk te horen. 


De volgende ochtend wordt het plotseling mistig terwijl we Tosh uitlaten in de woestijn en raken we volledig gedesoriënteerd. De mist trekt snel weer weg, maar we hebben ervan geleerd dat je nooit zonder gps een wandeling moet maken in de woestijn.
De 2e dag geven we fiches af bij de gendarmerie van Oum Gredat en wij geven de aardige gendarme kinderschoenen en kleding voor zijn kinderen. Ook deze dag is de piste soms wasbord, soms stenig en soms prachtige glad. We overnachten een stukje buiten Inal bij een berg met pikzwarte grote rotsblokken.


Opnieuw is de langste trein ter wereld weer duidelijk hoorbaar. De 3e dag rijden we naar Tmeimichatt. Veel zandheuvels en en lange zandbanen. Wij zetten onze banden nu op 2 bar. Dit is een goede bandenspanning voor onze truck en wij komen geen enkele keer vast te zitten in het zand.
De truck van Martin heeft lekkage aan een dieselslang die hij snel weet te repareren. Helaas valt bij het kantelen van zijn cabine een stalen bord hard op zijn voorruit, waardoor er grote sterren in komen. Gelukkig valt de ruit niet in stukjes uitelkaar. In de loop van de dag loopt bij onze truck de motortemperatuur wat meer op dan normaal, maar door meer toeren te maken lost dit zichzelf weer op. Het is dan ook de hele dag bijna 36 graden geweest. Deze dag veel zand gereden en een aantal van ons groepje heeft zich weer vastgereden in het mulle zand. ’s Avonds is het nog 31 graden en we besluiten de volgende dag vroeg te gaan rijden als de temperaturen nog niet zo hoog zijn en het zand ook nog relatief koud is.
De 4e dag rijden we door veel lange zandstukken en zandheuvels naar de monoliet Ben Amira. Deze monoliet is de grootste van Afrika en de 3na grootste ter wereld. Er zijn veel Neolitische postscherven en stukken maalsteen te vinden.





Omdat we in een soort tochtgat geparkeerd staan, rijden we de volgende dag naar een kleinere monoliet,  genaamd Aischa. Hier staan we beschutter en de omgeving is ook mooier dan bij Ben Amira. Hier zijn ca. 20 sculpturen in de granieten rotsblokken te vinden die in het kader van de eeuwwisseling door kunstenaars uit diverse landen zijn gemaakt.
Ook bij deze monoliet zijn veel potscherven en stukken maalsteen te vinden. 




De 5e dag rijden moeten we eerst nog een lang zandduinenveld doorkruisen en arriveren dan in Choum. We kunnen hier brood kopen, maar omdat ze daar geen wisselgeld hebben willen ze ons 500 oum (12,50 euro) voor een brood laten betalen. Normale prijs voor een brood is 10 oum. Een stukje buiten Choum brengen we de truckbanden weer op juiste spanning en rijden over een prachtige nieuwe asfaltweg naar Atar. Onderweg zien we vlaktes met een groene waas van gras eroverheen en nomaden met kuddes kamelen en geiten. In Atar is zelfs een winkel met Europese producten te vinden en er is benzine en diesel te krijgen. Mike en ik ervaren de sfeer in Atar als hatelijk naar toeristen toe en noemen de stad vanaf nu Haatar.
We blijven 3 nachten op camping Bab Sahara. De overnachting kost 15 euro en een driegangen menu 12,50 euro. Als er stenen naar Pier en de honden en naar een Duitse toeriste worden gegooid besluiten we verder te reizen. Via asfalt gaan we weer terug naar Choum en dan verder noordelijk naar Fderik. Zien we eerst nog de spoorlijn en bergen en 1 enkele oase (Char) rechts van ons, later zijn er alleen nog de spoorlijn en uitgestrekte zandvlaktes. Op de 325 km lange weg naar Fderik komen we slechts door 1 gehucht met 2 winkeltjes; Tuajil.
We overnachten in de buurt van Fderik en de volgende dag nemen we een piste van ca. 50 km die over de Mauretaanse grens naar het gebied van de Sahrawi Arab Democratic Republik in Marokko gaat. Erg illegaal dus. Waarom gaan we zulke capriolen uithalen? Nou omdat we een wrak van een Avro Shackleton vliegtuig, met de naam Pelican 16,  willen zien dat daar in 1994 een noodlanding heeft gemaakt. Alle inzittenden waren ongedeerd en zijn “gered” door de oorspronkelijke saharabewoners (de Sahrawi). De piste bestaat voornamelijk uit wasbord en ook de omgeving is niet bijzonder fraai. Eenmaal aangekomen bij het vliegtuigwrak moeten we 500 oum aan een paar militairen betalen om 10 minuten bij het wrak te mogen kijken en foto’s te maken. De kentekens van onze trucks worden in een boek genoteerd en verder wordt er geen enkel probleem gemaakt van het feit dat we zonder toestemming van hogeraf Sahrawi gebied zijn ingereden en illegaal de grens tussen Mauretanie en Marokko zijn overgegaan.




Na het bezoek aan het vliegtuigwrak splitsen zich onze wegen. Mike en ik gaan weer richting Atar en de anderen gaan nog een locomotievenkerkhof in Zouerat en een oude treintunnel bekijken.
We overnachten bij de oase van Char, die we nooit hebben kunnen vinden. De volgende dag waait het erg hard als we naar Atar gaan voor diesel tanken en nog wat eten inslaan. Harde wind en veel zand in de lucht als we beginnen aan onze 500 km lange route naar Tidjikja. De weg van Atar naar Tidjikja is tegenwoordig geasfalteerd. Bij Terjit zijn prachtige tafelbergen. 





Tussen Terjit en Aoujeft stenenvlaktes. Af en toe liggen er zandduintjes over de asfaltweg, maar deze vormen nog geen probleem voor de doorgang. In de dorpjes zien we ronde stenen huisjes met rieten puntdaken, maar ook kleine vierkante hutjes gemaakt van golfplaat. We passeren de dorpjes Timinit, Daji, Tendouamen, Libheir, El Maleh en N’trekt. Nu het zo hard waait en er zoveel zandduinen op en over de weg heen liggen wordt de weg bijna niet gebruikt door de bewoners. We overnachten ergens op een stenige vlakte. De 2e dag op de route waait het nog steeds erg hard en er is een soort zonsverduistering door het vele zand in de lucht. Er liggen grote zandduinen overdwars over de weg en wij moeten de truck met de banden op 3 bar er tussendoor persen. Soms moeten we de asfaltweg verlaten om een route naast de weg te zoeken, omdat we niet door de vele zandduinen die op de weg liggen, heen kunnen. We houden de banden maar op 3 bar, maar dit betekent dan wel dat we niet harder dan 60 km. per uur kunnen rijden op stukken die zandvrij zijn. Onderweg zien we graafmachines bezig, maar het gekke is dat ze aan het werk zijn juist op plekken waar de weg niet geblokkeerd wordt door zandduinen. Ach het blijft Mauretanie. We overnachten bij Chiva dat aan de oued Tidjikja ligt. Prachtige omgeving met zandduintjes, bergen met zwarte rotsblokken en een canyon met palmbomen. Veel neolithische sites met potscherven, beiteltjes en wrijfstenen. De 3e dag komen we door de dorpjes Taoujavett, Agnana, Rashid, Ajar en Lehweitat. Tidjikja is een Mauretaans stadje met gemetselde stenen huizen en huisjes gemaakt van golfplaat. Het heeft op sommige plekken straatlantaarns op zonnepanelen en een “voetbalstadion”. Het voetbalgrasveld is hier een voetbalzandvlakte. Dit is de eerste plek sinds Atar waar je weer diesel kan tanken. We overnachten 14 km boven Nbeika in het Tagant gebergte. De wind is tijdelijk in kracht afgenomen, zodat Mike de gelegenheid krijgt het luchtfilter van de MAN te ontdoen van zand. Ook de 4e dag is de zon verduisterd door het vele zand in de lucht. Bij Nbeika, een dorp omgeven door hoge zandduinen, stroomt een rivier en zijn er veel Afrikaanse vogels met prachtige turkooise kleur te zien die we nog kennen van onze reis naar Senegal. 




Voor en na de dorpen liggen vuilnisbelten en ook ligt er veel dood vee in de bermen langs de weg. We komen nog door de dorpen Moudjeria, Letfetar en El Melzen. El Melzen ligt op een grote uitgestrekte vlakte waar veel nomaden met koeien wonen. De koeien eten de laatste grasprietjes van de vlakte. Bij Sangrafa komen we op de route de l’espoir; de weg die van Nouakchott naar Nema in het oosten van Mauretanie loopt. Vergeleken met toen we hier in 2012 reden, is het asfalt over veel kilometers erg slecht geworden. Ja wat moet je verder zeggen over deze route; cramcram in de bermen, gieren en uitgehongerde honden die kadavers van aangereden vee opeten en veel erg veel controles voor en na elk dorp door politie, gendarmerie en leger. Zorg dus voor voldoende fiches als je door Mauretanie gaat rijden. In de dorpen; mensen met ezelwagens die hun ezels hard slaan, een geit die probeert uien te stelen uit een marktkraampje van een vrouw, veel Mauretaniers die boos naar ons kijken en een slager die voor een klant stukjes vlees afsnijdt van een homp vlees, die op een houten plankje in de zon ligt te “bakken”.
We rijden die dag meer dan 500 km en overnachten bij restaurant/camping Les Sultanes vlak aan zee een stukje buiten Nouakchott. Pier, Jacquelien en Martin zijn daar ook weer. Je kan er heerlijk eten, maar bij het campinggebeuren moet je je niet te veel voorstellen. Er is geen elektriciteit, je kan er wel douchen en er zijn 2 zeer vieze wc’s  die je niet kan doorspoelen. Kost 5 euro per persoon per nacht.
14 December vertrekken wij weer richting Boulenouar om het land te verlaten; de anderen blijven nog een dagje aan het strand staan. In Boulenouar tanken we goed drinkwater en de “ratten van de watertoren” willen 700 oum (17,50 euro) hebben voor 100 liter water. Later zakt het bedrag naar 5 euro. Op ZONDAG 15 december werken we binnen 2 uren de 2 grenzen af. De Mauretaanse grens doen we in een kwartiertje. In Marokko inspecteren ze de MAN en de woonunit van binnen en willen ze weten of we een drone, wapens of geld bij ons hebben. Ook willen ze weten wat er in onze dakkisten zit en of we een hondenpaspoort voor Tosh bij ons hebben. Na het scannen van onze truck vergeet het scanvoertuig te remmen of vergeten ze hem te laten remmen en botst hij heel hard tegen de muur van de scanloods aan. Hierna lukt het niet meer het voertuig achteruit te laten rijden. Zijn wij even blij dat we net gescand zijn!
De grensformaliteiten aan Marokkaanse zijde verlopen zeer correct!!!

woensdag 27 november 2019

Marokko, november 2019



Na Willy’s Treffen in Enkirch en leuke staplekken langs de Moezel in Duitsland (de Moeselwijnen vallen erg tegen), bezoek aan het Musee de Solutree in Solutre Pouilly in Frankrijk en veel mooie staplekken in het noorden van Spanje en bij albufeira’s (stuwmeren) in Portugal, maken we op 22 oktober de oversteek van Algeciras naar de Spaanse enclave Ceuta in het noorden van Marokko. We betalen dit keer 180 euro voor een open retourticket voor de truck en ons 2en. De invoerprocedure voor de truck is een stuk gemakkelijker en sneller geworden: bij loket 1 laten we onze paspoorten stempelen en bij loket 2 worden paspoort bestuurder en kentekenbewijs van de truck in de computer ingevoerd. Hierna ontvangen wij een een klein wit papieren kaartje met de voertuig- en bestuurdergegevens. Bij verlaten van Marokko moet dit kaartje weer worden ingeleverd.
Het is erg rustig bij de grens en de douaniers vervelen zich blijkbaar zo erg dat zij het nodig vinden onze truck grondig te controleren en ons domme vragen te stellen zoals of we geld bij ons hebben of drank ;).
Het is slechts 17 graden en het begint hard te regenen en we rijden door naar camping Internationale, de enig overgebleven camping in Moulay Bousselham. De stroomaansluitpunten voor de walstroom zijn levensgevaarlijk, het sanitairgebouw is smerig en heeft geen verlichting en in plaats van toeristen lopen er veel kippen, katten en een paard over het campingterrein.
De volgende dag leggen we meer dan 700 km. af en rijden in 1 keer door tot onder Agadir. Op camping Takat in de buurt van Sidi Bibi doen we de was, vullen onze drinkwatertank en gaan uitgebreid douchen. De temperatuur is hier met 36 graden een stuk beter!
Van Agadir  rijden we via Guelmim, waar we veel eten voor onze woestijnritten inslaan bij de Marjane supermarkt, in een keer door naar El Ouatia (Tantan plage). Alle 3 campings hier zijn leeg.
Na 3 nachten camping (met wifi om ‘’op de hoogte” te blijven) rijden we richting Es Smara en tanken onderweg diesel voor 8,3 dirham per liter (iets meer dan 80 eurocent).
Mike heeft thuis met behulp van Google Earth van mogelijk archeologisch interessante plekken, de waypoints genoteerd. Ons doel is de komende weken off road deze punten te (be)zoeken. Ca. 25 kilometer westelijk van Es Smara volgen we zuidelijk wielsporen van een nomaden landrover, gaan over een stukje zgn. Spaanse weg en nemen dan een vaag spoor langs een oued. Er zijn voornamelijk Aterian gebruiksvoorwerpen te vinden. Een andere dag rijden we het Sakia El Hamra gebied in noordelijke richting in. Als we tussen de middag op een heuvel staan, komen nomaden? ons waarschuwen dat de heuvels in dit gebied gevaarlijk zijn wat betreft nog niet ontplofte antitank mijnen. Als Mike zegt dat dat vast wel mee zal vallen, stapt de man uit en laat Mike een grote krater zien vlakbij onze truck waar enige tijd geleden een landrover op een mijn is gereden. Oei. We nemen een oude rallye Parijs Dakar piste die richting de asfaltweg Laayoune-Gueltat Zemmour gaat. Vergeleken met de vorige keer dat we deze reden is hij erg slecht geworden met veel wasbordribbels. De banden laten we af tot 4 bar waardoor het rijden een stuk comfortabeler wordt. We vinden onderweg 2 leuke prehistorische sites met gele vuursteen. 




Omdat het nog steeds niet geregend heeft zijn we de enige mensen in het gebied.  De nomaden met hun kuddes wachten met smart op veel neerslag. We steken de asfaltweg over en vervolgen de rpd1. De eerste 100 km prachtige gladde zandbanen waar we hard over heen kunnen rijden. We proberen piste F1 van Gandini te rijden maar na ca 10 kilometer kunnen we geen enkel spoor meer vinden. We maken een omweg naar een waterput en vragen aan een paar nomaden hoe we naar Boujdour moeten rijden. We houden een westelijke koers aan over vlaktes zonder sporen of tekenen van mensen. Zandduinen (barkhanes) van la Zamlat Sawiya versperren de route maar daar kunnen we gelukkig  omheen rijden. Op een kruising van diverse pistes nemen we opnieuw een oude rallye Parijs Dakar (rpd) piste dit keer noordelijk richting de sebkhas bij Boujdour. Af en toe mooie zandbanen en af en toe koraalrotsbodem. Bij sebkha Arhidal slaan we het aanbod van een  nomadenfamilie om hun kamelenmelk te drinken, vriendelijk af. De nomadenkindjes lopen op blote voeten en we geven hun wat schoenen en kinderkleding. Het is mogelijk om de zanderige sebkha met de truck in te rijden maar wij beperken ons tot een afdaling te voet. Het is erg moeilijk om een goede route naar de volgende sebkha, sebkha Arryd, te vinden. We moeten door veel poederzand (fechfech) rijden. 




In de sebkha wordt zout gewonnen. We rijden een stukje om sebkha Arryd heen en nemen dan een pad zuidwest/west dat naar een asfaltweg richting Boujdour gaat. Omdat er weer eens kleding en beddengoed moet worden gewassen, rijden we naar camping Ocean Line in Boujdour.  Een stroomdraad voor de ingang van de camping hangt zo laag, dat deze met een bezem in de hand omhoog moet worden gehouden, anders passen we er niet onderdoor met de truck. Het is groot feest in Boujdour ivm de herdenking van de toe-eigening van de Sahara door Marokko in 1974. De koning komt langs en er zijn kamelen- en paardenrace wedstrijden. Ietsje na twaalf uur snachts is er een groot vuurwerk. De volgende dag waait het zo hard dat de feesttent waar de avond daarvoor nog  muziek uitkwam, aan flarden waait. De sfeer onder de mensen in Boujdour is de dag na het feest weer tot het nulpunt gedaald en daarom hebben niet de indruk dat het ook maar iemand boeit. Een dag later waait er een heuse zandstorm en blijven we noodgedwongen op de camping staan.
We rijden via een geweldig goede asfaltweg naar het vissersdorpje Lakraa. We zijn de enige reizigers hier. Door de harde wind kunnen de vissers niet uitvaren met hun houten bootjes en lopen wat doelloos rond. Een van de vissers heeft veel oorpijn en vraagt of wij oordruppels hebben. Die hebben we wel en in ruil daarvoor wil hij ons een heel grote krab geven. We slaan dit vriendelijk af want we hebben geen idee hoe we zo’n groot beest in ons pannetje moeten krijgen.
Vanaf de asfaltweg richting Dakhla nemen we een piste die naar de reliëfs van L’Agargar gaat.






Bij bepaalde rotsformaties vinden we zeer dikke eierschilfragmenten die best wel eens van een uitgestorven oervogel kunnen zijn. Het gebied is zeer lang geleden zeebodem geweest en we vinden veel fossiele schelpjes en stukken koraal.
We rijden weer terug naar de asfaltweg en onder Dakhla nemen we een afslag naar sebkha Imlili. Hier zijn ondergronds met elkaar verbonden poeltjes waar tilapia vissen in leven. We overnachten bij een waterput en Marokkaanse gidsen die ons al eerder hebben gezien in het L’Agargar gebied vinden het fantastisch dat ze ons nu hier aantreffen. Ze hebben bewondering voor ons dat wij op plekken in de woestijn komen waar bijna geen toeristen/reizigers heen gaan. Van de sebkha rijden we via vage sporen oostwaarts richting Aousserd.  Moeten door een zogenaamde “wall” van 1985 waar geen militaire controle blijkt te zijn. Voor de wall is een gebied nog niet ontmijnd en wordt er gewaarschuwd op de sporen te blijven. We zien een totaal verwrongen wielvelg en andere stukken auto liggen. Na ca. 33 km. moeten we in de buurt van prehistorische sites met tumulussen (tumuli) een erg zanderige oued oversteken om opnieuw op de rpd1 te komen. Met middensper en zonder onze banden af te laten, komen we er doorheen. Bij onze overnachtingsplek bij een oued met acaciaboom en enkele bosjes vinden we leuke neolithische pijlpunten, maar ook oude Aterian bijltjes. Hierna rijden we naar een gebied met rode vuursteen dat ca. 500 meter bij 1,5 km. groot is. Op 18 november is het hier in de woestijn 28 graden en staat er relatief weinig wind. Sommige dagen is het mistig als we opstaan en hangen overal dauwdruppels aan de truck. Goed voor de planten en dieren die in de woestijn leven.
Op 23 november op weg naar Dakhla hebben we zelfs een uurtje motregen. Helaas veel te weinig neerslag voor de nomaden. Camping Moussafir in Dakhla bestaat niet meer en de nieuwe camping die in Taourta, vlak voor Dakhla, zou moeten zijn, kunnen we niet vinden. We doen inkopen in Dakhla (ze hebben er zelfs hondenbrokken) en rijden naar Trouk (PK25) waar we hebben afgesproken met Pier en Jacquelien. Zolang wij al in Marokko komen, vatten wij deze plek niet: er is geen water, geen elektriciteit, geen riolering, je kan er niet leuk wandelen of de hond uitlaten, je ruikt de uitlaatgassen van de nabij gelegen weg etc. Mike en ik staan 1 nachtje samen in Ain Bida en met de groep, inclusief de Oostenrijkers Manfred en Eveline staan we nog 1 nachtje in Lamhiriz (Cap Barbas) aan zee.
Op 28 november rijden we met zijn allen naar Mauretanie. 

donderdag 24 januari 2019

Marokko, januari 2019


Van Boujdour rijden we naar Laayoune. Laayoune is in de loop van de jaren uitgegroeid tot grootste stad in de West-Sahara. Er is nu zelfs een Mc Donalds. De hele dag is het zwaar bewolkt en dan ziet alles er een stuk onvriendelijker uit. De volgende dag parkeren we de truck bij oued Aasli, waar we een Acheulean vuistbijl vinden maar ook een modern (niet?) ontploft oorlogsprojectiel.


Een nomade vindt het prachtig dat we hier staan en als dank voor het flesje fanta met 14 E-nummers dat wij hem geven, krijgen we van hem mandarijntjes. We tanken diesel bij in Es Smara en zien dat de camping vlak buiten Es Smara ook weer geopend is. Ca 22 km noordelijk van Es Smara slaan we af naar het oosten richting Hawza en Jdiriya. Goede asfaltweg, kaal heuvelachtig landschap met links van ons een bergrug. Af en toe walls en 1 militaire post waar we niet gecontroleerd worden. Geen voorzieningen onderweg. Kamelen en schapenkuddes. 


Het laatste stukje naar Jdiriya gaat door de bergen en bij Jdiriya stopt het asfalt. Op de mapout app en op de reise knowhow wegenkaart staat vermeld dat het asfalt doorloopt tot aan Al Mahbass en Zag, maar dat is dus niet correct. Vanaf Jdiriya nemen we een piste die noord/noordoost gaat. Prachtig landschap dat lijkt op sommige gebieden in Mauritanie. 


In de gehuchten die we passeren, draaien de bewoners en herders hun rug naar ons toe. Ze willen niks van ons weten en de reden daarvan weten we niet. De bandenspanning moet weer wat omlaag omdat we een paar zanderige rivierbeddingen moeten oversteken. De militairen in de 2 militaire posten die we onderweg tegenkomen, schenken ook geen aandacht aan ons. De piste die we volgen komt uit op een oude Parijs Dakar rallye piste die naar Labouirat/El Bouirat gaat. Het gebied Saguia el Hamra gaat over in het gebied Guelmim Oued Noun. 


In Labouirat begint de nieuwe asfaltweg van 80 km. die uitkomt op de weg Assa/Zag. Labouirat stelt weinig voor; je vindt er wat huizen, een winkel en opnieuw een militaire post. Bij deze militaire post doen ze wat argwanend tegen ons en willen ze een fiche hebben. Landschappelijk is de route van Labouirat naar de weg Assa/Zag minder aantrekkelijk. Kaal landschap met af en toe een acaciaboom.
We overnachten 2 nachten op een mooie plek tussen de bergen tussen Assa en Fask. Veel sporen van prehistorische bewoning. 


Na boodschappen bij de Marjane in Guelmim te hebben gedaan, rijden we naar camping La Vallee in Abaynou. Deze staat propvol en daarom rijden we door naar Plage Blanche. Het gebied van Guelmim naar Plage Blanche wordt steeds meer gebruikt voor de verbouw van cactussen. Langs de lagune is nu een uitkijktoren geplaatst om vogels te spotten. Aan het einde van de middag worden we weggestuurd door een militair omdat het verboden blijkt hier nog te overnachten. We overnachten ergens in het cactusgebied. De volgende dag rijden we naar de oase van Tighmert en overnachten een aantal nachten bij Hassan en Samira op de camping. Hier ontmoeten we Raimund en Andrea uit Oostenrijk met hun Steyr en Sacha en Verena met hun MAN LE14.280. Heel gezellig om weer eens bij te kletsen met andere reizigers. 


Het is prachtig weer en we rusten heerlijk uit. Mike en ik worden uitgenodigd om couscous te eten bij Samira en dit is net als de vorige keer een onvergetelijke belevenis, waarbij Samira vlees dat van de schaal couscous op de grond valt, weer teruglegt op de schaal, de kinderen hun bordjes couscous uit hun handen laten vallen op de zondagse bank en het nette vloerkleed en het met hun blote voeten nog even aanstampen en kleine Mohammed afgekloven botjes terug stopt in de schaal couscous. Bij de couscous wordt melk gedronken waar met de keukenmachine iets zoals een kaasje van la vache qui rit doorheen is gemixt. Mike kan het eten niet naar binnen krijgen en op het moment dat de hele familie naar buiten loopt omdat een campinggast geen stroom heeft, geeft hij snel zijn vlees aan Tosh en gooit de couscous terug in de grote opdienschaal.
Ondanks dat ik een grote slok sterke drank neem na de maaltijd, krijg ik de volgende dag een fikse keelontsteking die een paar dagen duurt. Zodra ik mij weer wat beter voel rijden we naar camping Takat in Takad onder Agadir. Ik doe inkopen op de soukh van Sidi Bibi waar je geweldig goed smakende en uitziende groenten en fruit maar ook gerookte geitenkoppen en magen en ingewanden kan kopen. Het is prachtig windstil en zonnig weer. ’s Nachts nachtvorst en overdag een graadje of 20.
Hier lieve Nederlanders ontmoet; Liesbeth en Wiebe uit Zaltbommel. 

In een opwelling van fanatieke bewegingsdrang maak ik 1 dag een fietstocht van 14 km. naar het strand van Sidi Toual en het dorpje Takat. 


Op 23 januari vertrekken we met regenachtig weer naar Noord Marokko en overnachten nog 2 nachtjes in Moulay Bousselham op camping Flamants Loisirs.
Op zondag 27 januari maken we de oversteek met de boot van Ceuta naar Algeciras in Spanje.